Bijbel in een jaar

Dag 343 - Nehemia 4 tot en met 6 en Psalm 122

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 12:26

Vandaag lezen we Nehemia 4 tot en met 6 en Psalm 122 uit de NBV21

🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap 

Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.

Dit is dag 343.

Vandaag lezen we Nehemia 4 tot en met 6 en Psalm 122.  

---

De muur werd steeds hoger, en bijna alle gaten waren al dichtgemaakt.
Toen Sanballat en Tobia dat hoorden, werden ze heel erg kwaad. En niet alleen zij waren kwaad, maar ook de Arabieren, de Ammonieten en de mensen uit Asdod. Ze kwamen bij elkaar en maakten een plan om Jeruzalem aan te vallen. Ze wilden ons bang maken. Maar wij vroegen onze God om hulp, en zorgden ervoor dat de stad dag en nacht bewaakt werd.
Op een dag begonnen de Judeeërs te klagen: ‘We worden doodmoe van het werk, er is te veel puin. We kunnen die muur nooit helemaal opbouwen.’
Intussen waren onze vijanden van plan ons plotseling aan te vallen. Ze zeiden: ‘In Jeruzalem weten ze nog van niets. En ze mogen ook niets merken. Maar we zullen hen doden, want dat werk moet stoppen.’
Maar dat plan mislukte. Want waar onze vijanden woonden, woonden ook veel Judeeërs. Die Judeeërs kwamen ons wel tien keer waarschuwen. Ze zeiden dat de mensen die aan de muur werkten, weer naar huis moesten komen. Maar ik zorgde ervoor dat iedereen achter de muur ging staan. Ik zette alle families bij elkaar. En ik zette ze vooral op de plekken waar de muur laag of zwak was. Ook gaf ik iedereen wapens: zwaarden, speren, en pijl en boog.
Toen iedereen op zijn plaats stond, begon ik te spreken. Ik zei tegen de bestuurders, tegen de belangrijke inwoners van de stad en tegen alle anderen: ‘Wees niet bang voor onze vijanden. Bedenk hoe groot en machtig de Heer is! Vecht voor jullie eigen mensen, voor jullie zonen, dochters en vrouwen, en vecht ook voor jullie huizen!’
Al snel merkten onze vijanden dat wij alles wisten van hun plannen. En ze begrepen dat God ervoor zorgde dat ze niet konden aanvallen. Daarom konden wij doorgaan met ons werk aan de muur.
Vanaf die dag liet ik steeds de helft van mijn mannen werken. Aan de andere helft gaf ik wapens om hen te verdedigen. De leiders van het volk beschermden de mensen die aan het bouwen waren.
De arbeiders die stenen moesten dragen, werkten met één hand. In hun andere hand hielden ze een wapen vast. Ook de bouwers hadden tijdens het werk allemaal een wapen bij zich.
Naast mij stond een man die op de trompet moest blazen als er gevaar was. Ik had tegen de bestuurders, tegen de belangrijke inwoners van de stad en tegen alle anderen gezegd: ‘Er is over de hele lengte van de muur veel werk te doen. We staan ver van elkaar af en we zien elkaar niet. Als jullie de trompet horen, moeten jullie direct naar mij toe komen. Onze God strijdt voor ons!’
We werkten van de ochtend tot de avond. En altijd werden we beschermd door de helft van mijn mannen.
Ik had de mensen die aan het werk waren, ook nog de volgende opdracht gegeven: ‘Iedereen moet met zijn mannen ook ’s nachts in Jeruzalem blijven, en niet naar huis gaan. Want overdag moeten we werken, en ’s nachts moeten we de stad bewaken.’ Mijn broers, mijn dienaren, de bewakers en ik hadden dus ook ’s nachts een taak. Iedereen was altijd klaar om te vechten.

--

In die tijd hadden veel arme Judeeërs, vooral de vrouwen, klachten over de rijke Judeeërs.
Sommige arme Judeeërs zeiden: ‘We hebben veel kinderen, dus we hebben veel graan nodig. We moeten eten, anders gaan we dood.’
Anderen zeiden: ‘We hebben honger. Maar als we graan willen kopen, moeten we geld lenen. Dat kan wel, maar dan moeten we onze akkers, wijngaarden en huizen geven als bewijs van de lening.’
En weer anderen zeiden: ‘We moesten veel belasting betalen aan de koning. We konden geld lenen omdat we akkers en wijngaarden hadden. Maar onze akkers en wijngaarden zijn nu van een ander. Om onze schulden te betalen moeten we nu onze kinderen weggeven als slaven. Sommige van onze dochters worden zelfs verkracht. En wij kunnen er niets tegen doen. Maar wij en onze kinderen zijn toch niet minder waard dan de rijke Judeeërs?’
Ik werd woedend toen ik de klachten hoorde en begreep wat er aan de hand was. Ik dacht er goed over na. Toen riep ik iedereen bij elkaar, want ik wilde een einde maken aan die vreselijke situatie. Ik besloot de bestuurders en de belangrijkste mannen van de stad aan te klagen. Ik zei tegen hen dat ze van hun eigen mensen te veel rente eisten voor een lening.
Ik zei tegen de leiders: ‘Sommige mensen van ons volk moesten zichzelf verkopen aan mensen van andere volken. Wij hebben hen allemaal teruggekocht. Maar wat doen jullie nu? Jullie dwingen hen om zich te verkopen aan mensen van ons eigen volk!’ Toen zwegen de leiders, want ze wisten niet wat ze moesten zeggen.
Toen zei ik: ‘Wat jullie doen, is verkeerd. Jullie moeten eerbied hebben voor onze God. Anders zullen onze vijanden ons belachelijk maken.
Ook mijn broers, de mannen die me helpen, en ik hebben geld en graan geleend aan anderen. Laten we dat nu niet meer terugvragen. Geef iedereen vandaag nog zijn akkers en wijngaarden terug, en ook zijn olijfbomen en zijn huis. En geef ook de rente terug die betaald moest worden over het geleende geld, het graan, de wijn en de olijfolie.’
Toen zeiden de bestuurders en de belangrijkste mannen van de stad: ‘Wij zullen alles teruggeven, en we vragen geen rente meer. We zullen doen wat u zegt.’ Dat liet ik hen plechtig beloven. Daar waren ook priesters bij aanwezig, want die had ik erbij geroepen.
Toen schudde ik de zakken van mijn jas leeg. Ik zei: ‘Ik haal alles uit de zakken van mijn jas. Zo zal God alles afnemen van de mensen die zich niet aan deze afspraak houden. Ze zullen geen huis meer hebben, helemaal niets meer. Ze zullen alles verliezen!’
Alle aanwezigen zeiden: ‘Ja, zo zal het gebeuren.’ Ze eerden de Heer, en iedereen deed wat afgesproken was.
Artaxerxes had me aangesteld als bestuurder van het gebied Juda toen hij twintig jaar koning van Perzië was. Twaalf jaar bestuurde ik Juda. In al die jaren wilden mijn broers en ik geen geld van het volk vragen. We betaalden steeds zelf alle kosten die bij mijn functie hoorden.
De vroegere bestuurders van Juda deden dat wel anders! Ze vroegen veel belasting, en dat was heel zwaar voor het volk. Ze vroegen niet alleen voedsel en wijn, maar ook 40 zilverstukken per persoon. En hun dienaren deden alsof ze de baas waren over iedereen. Maar zulke dingen deed ik niet, want ik had eerbied voor God. Ik heb er alles aan gedaan om de muur van Jeruzalem te herstellen. Ook mijn mannen hebben steeds met dat werk geholpen. En niemand van ons heeft een stuk grond in bezit genomen.
Ik moest bovendien steeds voor 150 leiders uit Juda zorgen. Ik gaf hun allemaal te eten. En ik had ook nog gasten die niet uit Juda kwamen. Ik liet elke dag één koe, zes schapen en een paar kippen slachten en klaarmaken voor de maaltijd. Ik betaalde dat allemaal zelf. Elke tien dagen liet ik nieuwe wijn komen. Maar ik heb daarvoor nooit geld gevraagd. Want het volk had het al moeilijk genoeg.
Nehemia bad: ‘Mijn God, wees goed voor mij, vergeet niet wat ik voor het volk gedaan heb.’

---

Ik had dus de muur van Jeruzalem weer opgebouwd. Er zaten geen gaten meer in. Maar ik moest nog wel nieuwe deuren in de poorten zetten.
Sanballat, Tobia, de Arabier Gesem en al onze andere vijanden hoorden wat ik gedaan had. Sanballat en Gesem stuurden mij een bericht. Ze vroegen of ik naar de plaats Kefirim in het Ono-dal wilde komen. Ze zeiden dat ze me wilden ontmoeten. Maar ze waren natuurlijk van plan om me kwaad te doen.
Daarom stuurde ik boodschappers naar hen met het volgende antwoord: ‘Ik ben bezig met belangrijk werk, en dat werk stopt als ik er niet bij ben. Ik kan dus niet komen.’
Ze vroegen me wel vier keer of ik wilde komen. Maar ik gaf steeds hetzelfde antwoord.
Toen stuurde Sanballat voor de vijfde keer één van zijn dienaren met dezelfde vraag. De dienaar had een brief bij zich. De brief was niet dichtgemaakt, zodat iedereen hem kon lezen.
In de brief stond: ‘Gesem heeft de mensen horen zeggen dat u en de Judeeërs in opstand willen komen tegen de koning. En dat u daarom bezig bent met het herstel van de muur van Jeruzalem. De mensen beweren dat u koning wilt worden over de Judeeërs. Ze zeggen ook dat u profeten de opdracht geeft om dat overal in Jeruzalem bekend te maken. Maar koning Artaxerxes zal dat natuurlijk te weten komen. Kom, laten we samen overleggen.’
Ik stuurde hem meteen een antwoord: ‘Wat u zegt, is niet waar. U hebt alles zelf verzonnen.’
Onze vijanden probeerden ons dus bang te maken. Ze hoopten dat wij zouden stoppen met ons werk. Dan zou de muur nooit af komen. Maar ik ging juist steeds harder werken.
Op een keer was ik op bezoek bij Semaja. Hij was een zoon van Delaja en een kleinzoon van Mehetabel. Semaja deed alsof hij zich veel zorgen maakte om mij. Hij zei: ‘We moeten elkaar ontmoeten in de tempel. En als we binnen zijn, sluiten we de deuren. Want er zijn mensen die van plan zijn om u vannacht te vermoorden.’
Maar ik zei: ‘Iemand die zo’n belangrijke functie heeft als ik, vlucht niet. En bovendien, ik ben geen priester. Ik mag niet eens in de tempel komen! Zo’n fout wordt met de dood bestraft. Ik ga niet met u mee!’
Ik merkte dat Semaja niet door God gestuurd was. Semaja had wel als een soort profeet tegen mij gesproken. Maar daar hadden Tobia en Sanballat hem voor betaald. Semaja was betaald om mij bang te maken, zodat ik met hem mee zou gaan naar de tempel. Maar dan zou ik een grote fout maken. En dat zou voor mensen een reden zijn om kwaad over mij te spreken. Dan zou iedereen slecht over mij denken.
Nehemia bad: ‘Mijn God, vergeet niet wat Tobia en Sanballat met mij wilden doen. En vergeet ook niet hoe de profetes Noadja en de andere profeten mij bang wilden maken.’
De muur kwam helemaal af. Na 52 dagen waren we klaar met bouwen. Dat was op de 25ste dag van de zesde maand. Al onze vijanden hoorden hoe snel we gewerkt hadden. Daardoor werden ze bang voor ons en verloren ze alle moed. Want ze beseften dat onze God ons bij het werk geholpen had.
In die tijd stuurden de belangrijkste families van Juda veel brieven aan Tobia. En Tobia beantwoordde die brieven. Veel Judeeërs hadden beloofd om trouw te zijn aan Tobia, omdat hij getrouwd was met een dochter van Sechanja, de zoon van Arach. Bovendien was een zoon van Tobia, Jochanan, getrouwd met een dochter van Mesullam, de zoon van Berechja.
Als ik erbij was, vertelden de Judeeërs altijd goede dingen over Tobia. Maar alles wat ik zei, vertelden ze aan hem door. En dan stuurde Tobia weer brieven naar mij om me bang te maken.

---

Psalm 122
Een lied van David. Voor de reis naar Jeruzalem.
Ik was heel blij toen mijn vrienden mij vroegen:
‘Ga je mee naar het huis van de Heer?’
En nu staan we echt in Jeruzalem,
binnen de muren van de stad.

Jeruzalem is prachtig gebouwd,
met sterke en stevige muren.
De stammen van Israël komen er bij elkaar.
Zij zijn het volk van de Heer,
ze brengen hem eer.
Zo doen ze wat hij wil.
Jeruzalem is de stad van David.
Zijn nakomelingen regeren daar,
en ze spreken recht over het volk.

Bid om vrede en rust voor Jeruzalem,
voor mensen die houden van deze stad.
Laat er vrede zijn in de stad,
laat er rust zijn binnen de muren.

Ik bid om vrede in de stad,
want daar wonen mijn familie en vrienden.
Ik bid om geluk voor Jeruzalem,
want daar staat de tempel,
het huis van de Heer, onze God.

---

Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 343.

Een podcast van het NBG.

Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar. 

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast Artwork

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap