Bijbel in een jaar

Dag 344 - Nehemia 7 tot en met 10 en Psalm 147

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 28:41

Vandaag lezen we Nehemia 7 tot en met 10 en Psalm 147 uit de NBV21

🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap 

Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.

Dit is dag 344.

Vandaag lezen we Nehemia 7 tot en met 10 en Psalm 147.

Toen de muur opgebouwd was, liet ik deuren in de poorten zetten. Daarna stelde ik bewakers van de poorten aan. Ook de tempelzangers en de Levieten kregen een taak.
Ik gaf mijn broer Chanani de opdracht om te zorgen voor de veiligheid van Jeruzalem. Chananja, de leider van de soldaten, hielp hem daarbij. Chananja was verantwoordelijk voor de verdediging van de stad. Want niemand was zo betrouwbaar als hij, en niemand had zo veel eerbied voor God.
Ik zei tegen Chanani en Chananja: ‘De poorten van Jeruzalem mogen pas geopend worden als het helemaal licht is. En ze moeten ’s avonds weer gesloten worden voordat de zon ondergegaan is. Jullie moeten regelen dat de inwoners zelf de stad bewaken, ieder op zijn beurt, ieder bij zijn eigen huis.’
Jeruzalem was een heel grote stad, maar er waren niet veel inwoners. En er waren nog maar weinig huizen gerepareerd.
Ik kreeg van God de opdracht om een lijst te maken van alle bestuurders van de stad, van alle belangrijke inwoners en van de rest van het volk. Toen ik daarmee bezig was, ontdekte ik nog een andere lijst. Dat was een lijst van mensen die vroeger uit Babylonië teruggekomen waren. Ik las daarin het volgende:
‘Dit is een lijst van families die teruggekomen zijn uit Babylonië. Koning Nebukadnessar van Babylonië had de inwoners van Juda als gevangenen meegenomen. Ze zijn teruggekomen naar Juda onder leiding van Zerubbabel, Jesua, Nechemja, Azarja, Raämja, Nachamani, Mordechai, Bilsan, Misperet, Bigwai, Nechum en Baäna. Ze zijn weer gaan wonen in Jeruzalem en in andere steden in Juda.
Hier volgen de aantallen van Israëlitische mannen die terugkwamen:
van de familie van Paros: 2172
van de familie van Sefatja: 372
van de familie van Arach: 652
van de familie van Pachat-Moab, om precies te zijn de nakomelingen van Jesua en Joab: 2818
van de familie van Elam: 1254
van de familie van Zattu: 845
van de familie van Zakkai: 760
van de familie van Binnuï: 648
van de familie van Bebai: 628
van de familie van Azgad: 2322
van de familie van Adonikam: 667
van de familie van Bigwai: 2067
van de familie van Adin: 655
van de familie van Ater, om precies te zijn de nakomelingen van Chizkia: 98
van de familie van Chasum: 328
van de familie van Besai: 324
van de familie van Charif: 112
van de familie van Gibeon: 95
inwoners van Betlehem en Netofa: 188
inwoners van Anatot: 128
inwoners van Bet-Azmawet: 42
inwoners van Kirjat-Jearim, Kefira en Beërot: 743
inwoners van Rama en Geba: 621
inwoners van Michmas: 122
inwoners van Betel en Ai: 123
inwoners van het andere Nebo: 52
inwoners van het andere Elam: 1254
inwoners van Charim: 320
inwoners van Jericho: 345
inwoners van Lod, Chadid en Ono: 721
inwoners van Senaä: 3930.
Hier volgen de aantallen van de priesters die terugkwamen:
van de familie van Jedaja, om precies te zijn de priesters die afstammen van Jesua: 973
van de familie van Immer: 1052
van de familie van Paschur: 1247
van de familie van Charim: 1017.
Deze Levieten kwamen terug: 74 Levieten uit de families van Jesua en Kadmiël, om precies te zijn de nakomelingen van Hodewa.
Deze tempelzangers kwamen terug: 148 zangers uit de familie van Asaf.
Deze bewakers van de tempelpoorten kwamen terug: 138 bewakers uit de familie van Sallum, Ater, Talmon, Akkub, Chatita en Sobai.
Deze helpers in de tempel kwamen terug: de nakomelingen van Sicha, Chasufa, Tabbaot, Keros, Sia, Padon, Lebana, Chagaba, Salmai, Chanan, Giddel, Gachar, Reaja, Resin, Nekoda, Gazzam, Uzza, Paseach, Besai, Meünim, Nefusim, Bakbuk, Chakufa, Charchur, Baslit, Mechida, Charsa, Barkos, Sisera, Temach, Nesiach en Chatifa.
En deze nakomelingen van de slaven van Salomo kwamen terug: de nakomelingen van Sotai, Soferet, Perida, Jaäla, Darkon, Giddel, Sefatja, Chattil, Pocheret-Hassebaïm en Amon.
In totaal kwamen er 392 helpers in de tempel en nakomelingen van de slaven van Salomo terug.
Uit de steden Tel-Melach, Tel-Charsa, Kerub, Addon en Immer kwamen 642 nakomelingen van Delaja, Tobia en Nekoda terug. Maar zij konden niet bewijzen dat ze echte Israëlieten waren.
Ook sommige priesters konden niet bewijzen dat zij en hun families echte Israëlieten waren. Dat waren de families van Chobaja, Hakkos en Barzillai. De familie van Barzillai heette zo omdat hun voorvader met een dochter van Barzillai uit Gilead getrouwd was.
Die priesters zochten naar officiële papieren om te bewijzen dat zij en hun families echte Israëlieten waren. Maar zulke papieren vonden ze niet. Daarom mochten ze van de provinciebestuurder voorlopig geen priester zijn. En ze mochten ook niet meer met de andere priesters mee-eten van de heilige offers. Eerst moest er een hogepriester komen die God om raad kon vragen.
In totaal kwamen er 42.360 mensen terug uit Babylonië. Verder kwamen er ook 7337 slaven en slavinnen, en 245 zangers en zangeressen terug. Met hen kwamen er ook 435 kamelen en 6720 ezels mee.
Een aantal familieleiders bracht geschenken voor het werk in de tempel. De provinciebestuurder gaf 1000 gouden munten, vijftig offerschalen, dertig priestermantels en 500 zilveren munten voor de schatkamer van de tempel. Een paar andere leiders gaven voor het werk in de tempel 20.000 gouden munten en 2200 zilveren munten. De andere mensen die terugkwamen uit Babylonië, gaven 20.000 gouden munten, 2000 zilveren munten en 67 priestermantels.
Toen gingen de priesters, de Levieten, de andere mensen die in de tempel werkten en de rest van de Israëlieten terug naar hun eigen steden.’
Op de eerste dag van de zevende maand.

---

kwamen de Israëlieten allemaal naar het plein voor de Waterpoort. Ze vroegen aan Ezra, die priester en schrijver was, of hij het boek met de wet van Mozes wilde halen. In dat boek stonden alle wetten en regels die de Heer aan de Israëlieten gegeven had.
Ezra haalde het wetboek en liet het zien aan alle mensen die daar bij elkaar waren. Alle mannen, vrouwen en kinderen die oud genoeg waren om de wet van Mozes te begrijpen, zagen het boek.
Op het plein voor de Waterpoort ging Ezra op een houten podium staan. Dat podium was speciaal voor hem gemaakt. Naast hem, aan zijn rechterkant, stonden Mattitja, Sema, Anaja, Uria, Chilkia en Maäseja. Aan zijn linkerkant stonden Pedaja, Misaël, Malkia, Chasum, Chasbaddana, Zecharja en Mesullam. Omdat Ezra hoger stond dan het volk, kon iedereen hem zien. Toen hij het boek opende, ging iedereen staan. Ezra begon hardop voor te lezen uit het boek. Hij las de hele dag, en iedereen luisterde ernaar.
Ezra dankte de Heer, de grote God. Het hele volk hield de handen omhoog en antwoordde: ‘Amen, amen.’ Daarna knielden alle mensen, en ze bogen diep voor de Heer.
Toen het volk weer was gaan staan, legden een paar Levieten uit wat de wetten betekenden. Die Levieten waren Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbetai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan en Pelaja. De ene Leviet las eerst luid en duidelijk een stuk voor uit het boek met de wet van God. En daarna legde een andere Leviet het stuk uit. Zo kon iedereen begrijpen wat er voorgelezen werd.
Toen het volk hoorde wat er in het wetboek stond, moest iedereen huilen. Maar Nehemia, de provinciebestuurder, zei: ‘Huil niet.’ En ook Ezra en de Levieten die de wetten voorgelezen en uitgelegd hadden, zeiden dat het volk niet moest huilen. Ze zeiden: ‘Deze dag is een heilige dag, een dag ter ere van de Heer, jullie God! Daarom moeten jullie niet verdrietig zijn. Ga thuis een feestelijke maaltijd klaarmaken met lekker eten en drinken. En deel je feestmaal met mensen die niets hebben. Want dit is een heilige dag, een dag ter ere van de Heer. Droog je tranen, en wees blij met wat de Heer voor jullie doet. Hij geeft jullie steeds nieuwe kracht!’ De Levieten vroegen de mensen om rustig te blijven en op zo’n bijzondere dag niet verdrietig te zijn.
Toen ging iedereen naar huis om te eten en te drinken. En ze deelden hun feestmaal met anderen. Ze maakten er een groot en vrolijk feest van. Want ze hadden goed begrepen wat Ezra en de Levieten gezegd hadden.
De volgende dag kwamen de familieleiders met de priesters en de Levieten bij Ezra, de schrijver. Zij wilden meer weten over de wetten die de Heer aan Mozes gegeven had. Ze ontdekten dat de Israëlieten in de zevende maand een feest moesten vieren, en dat ze tijdens dat feest in hutten moesten wonen. Dat moest in Jeruzalem en in alle steden van het land bekendgemaakt worden. De mensen moesten naar de bergen gaan om takken te halen. Takken van olijfbomen, palmbomen en andere soorten bomen met veel bladeren. Want met die takken moesten ze de hutten maken.
Toen ging iedereen takken halen. En ze bouwden hutten op de platte daken en de binnenplaatsen van hun huizen. En ook op de pleinen van de tempel en op de pleinen bij de Waterpoort en de Efraïm-poort. Alle Israëlieten die uit Babylonië naar Jeruzalem gekomen waren, maakten zulke hutten en gingen erin wonen. Dat hadden ze sinds de tijd van Jozua, de zoon van Nun, niet meer gedaan. Iedereen was heel erg blij.
Het feest duurde zeven dagen. Elke dag werd er voorgelezen uit het boek met de wet van God. En ook op de dag na het feest kwamen de mensen bij elkaar. Want zo stond het in het wetboek.

---

Op de 24ste dag van de zevende maand kwamen de Israëlieten weer bij elkaar. Ze vastten, deden rouwkleren aan en gooiden zand over hun hoofd. Ze gingen apart staan van de mensen die geen Israëlieten waren. Daarna gaven de Israëlieten in het openbaar hun fouten toe, en ook de fouten van hun voorouders.
Drie uur lang bleef het volk staan. Intussen werd er voorgelezen uit het boek met de wet van de Heer, hun God. Daarna knielden ze drie uur lang voor de Heer, hun God, en gaven ze hun fouten toe.
Een paar Levieten stonden op een verhoging. Dat waren Jesua, Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serebja, Kenani en nog een Bani. Zij begonnen hardop te bidden tot de Heer, hun God. Toen zeiden de Levieten Jesua, Bani, Kadmiël, Sebanja en Serebja, en Chasabneja, Hodia en Petachja tegen het volk: ‘Dank de Heer, jullie God. En blijf hem altijd danken.’
Daarna zeiden de Levieten tegen de Heer:
‘Iedereen moet u danken, want u bent machtig. Er zijn niet genoeg woorden om u te danken en te prijzen. U bent de Heer, u alleen. U hebt de hemel en de sterren gemaakt. U maakte de aarde en de zee. En u hebt het leven gegeven aan alle mensen en dieren. Alle engelen in de hemel buigen diep voor u.
U bent God, de Heer. U hebt Abram uitgekozen en hem weggehaald uit Ur in Babylonië. U gaf hem de naam Abraham. U zag dat hij u vertrouwde. Daarom beloofde u hem dat u aan zijn nakomelingen een land zou geven. Het land van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Perizzieten, de Jebusieten en de Girgasieten. En u bent betrouwbaar, want u hebt gedaan wat u beloofd hebt.
U zag dat onze voorouders het slecht hadden in Egypte. U luisterde naar hen toen ze bij de Rietzee waren en naar u om hulp riepen. U wist dat de farao, zijn ambtenaren en zijn hele volk onze voorouders slecht behandelden. Daarom deed u in Egypte veel wonderen. Iedereen moest weten hoe machtig u bent, en iedereen weet het nu.
U maakte voor de Israëlieten een pad door de zee. Zo konden ze over de bodem van de zee naar de overkant gaan. Ze werden achtervolgd door de Egyptenaren, maar die hebt u in de diepe zee gegooid. Ze zonken, zoals stenen naar de bodem zinken.
U ging met uw volk mee, overdag in een grote wolk en ’s nachts in een vuur. Zo hebt u de weg voor uw volk verlicht. U kwam uit de hemel naar de berg Sinai. U sprak met de Israëlieten, en u gaf ze eerlijke regels en goede, duidelijke wetten. U vertelde hun over de sabbat, de dag die heilig voor u is. En u gaf uw dienaar Mozes de opdracht om al uw wetten en regels door te geven aan uw volk.
U gaf brood uit de hemel toen de Israëlieten honger hadden. U liet water uit de rots stromen toen zij dorst hadden. U zei tegen hen in welk land ze moesten gaan wonen. Dat was het land dat u aan hen beloofd had.
Maar onze voorouders waren eigenwijs en ongehoorzaam. Zij deden niet wat u tegen hen gezegd had. Ze wilden niet naar u luisteren. Ze dachten niet meer aan de wonderen die u voor hen gedaan had. Ze waren eigenwijs, ze kozen een eigen leider. Ze wilden weer als slaven leven, zoals vroeger in Egypte.
Maar u bent een goede God. U vergeeft de mensen als ze fouten maken, u zorgt voor hen. U bent geduldig en trouw. Dus u liet hen niet in de steek.
De Israëlieten maakten een beeld van een stier, en ze zeiden: ‘Dit is de god die jullie bevrijd heeft uit Egypte!’ Daarmee hebben ze u diep beledigd. Maar zelfs toen was u goed voor uw volk. U liet de Israëlieten in de woestijn niet in de steek. Overdag ging de grote wolk niet weg, hij was bij hen als ze verdergingen. En in de nacht was er een vuur om de weg te verlichten. U hielp hen vriendelijk om uw regels te begrijpen. U bleef hun manna geven als ze honger hadden, en water als ze dorst hadden.
Veertig jaar lang hebt u in de woestijn voor de Israëlieten gezorgd. Ze kregen alles wat ze nodig hadden. Hun kleren raakten niet versleten, en hun voeten werden niet dik van het lopen.
U liet de Israëlieten koninkrijken veroveren. U gaf aan hen de gebieden van de overwonnen volken. Ze kregen het land van Sichon, de koning van Chesbon, in bezit. En ook Basan, het land van koning Og.
U gaf de Israëlieten veel kinderen, zo veel als er sterren zijn aan de hemel. U bracht de kinderen naar het land dat u aan hun voorouders beloofd had. En zij namen het land in bezit.
U zorgde ervoor dat uw volk ging heersen over de inwoners van Kanaän. Alle volken en koningen in Kanaän moesten de Israëlieten dienen. De Israëlieten konden met hen doen wat ze wilden.
De Israëlieten veroverden machtige steden en vruchtbare stukken land. Ze namen huizen vol mooie spullen in bezit, en waterbakken die in de rotsen uitgehakt waren. Ook alle velden met druivenplanten, olijfbomen en fruitbomen namen ze in bezit. Ze konden zo veel eten als ze wilden, ze werden dik van het lekkere eten. Ze genoten van alle goede dingen die u aan hen gaf.
Maar toen werden de Israëlieten ontrouw aan u, en ze kwamen tegen u in opstand. Ze gehoorzaamden uw wetten niet meer. U stuurde uw profeten om hen te waarschuwen en te zorgen dat ze u weer gingen dienen. Maar zij vermoordden uw profeten. Daarmee hebben de Israëlieten u diep beledigd. Daarom stuurde u vijanden op hen af.
Toen de Israëlieten zwaar onderdrukt werden, schreeuwden ze om hulp. Vanuit de hemel luisterde u naar hen. U had medelijden met hen, en u stuurde leiders om hen te bevrijden. Maar zodra de Israëlieten weer vrij waren en in vrede leefden, gingen ze opnieuw verkeerde dingen doen. Dan zorgde u er weer voor dat vijanden over hen gingen heersen.
Daarna schreeuwden ze opnieuw om hulp. En weer luisterde u naar hen vanuit de hemel. U redde hen, want u had medelijden met hen. U redde uw volk steeds weer van hun vijanden. U waarschuwde hen, u zei dat ze zich aan uw wetten moesten houden.
Maar uw volk was eigenwijs, ze hielden zich niet aan uw regels. Ze deden niet wat er in uw wetten staat. Ze wisten dat het goed gaat met mensen die zich aan uw wetten houden. Maar toch was uw volk ongehoorzaam, de mensen wilden niet luisteren.
U hebt heel veel jaren geduld gehad met uw volk. U hebt profeten gestuurd, en die hebben uw volk namens u gewaarschuwd. Maar uw volk luisterde niet. Daarom zorgde u ervoor dat vijanden over hen heersten. Maar omdat u goed was voor uw volk, hebt u het niet vernietigd. U hebt de Israëlieten niet in de steek gelaten. U bleef voor hen zorgen en u liet zien dat u een goede God bent.
God, u bent zo groot en machtig! Iedereen heeft eerbied voor u. U houdt u aan uw beloftes en u bent goed voor mensen. Daarom vragen wij aan u: Vergeet niet hoe groot de ellende is die wij meemaken. Onze koningen en leiders, onze priesters en profeten, en onze voorouders hebben veel ellende meegemaakt. Uw volk heeft veel geleden sinds de Assyriërs kwamen. En nog steeds gaat het erg slecht met ons.
God, u bent altijd eerlijk, u hebt ons gegeven wat wij verdienden. Daarom maken we zo veel ellende mee. Want we hebben gedaan wat verkeerd was. Onze koningen, onze leiders, onze priesters en onze voorouders hielden zich niet aan uw wet. Ze vergaten uw regels. U waarschuwde hen, maar zij deden niet wat u wilde. U had hun een eigen land gegeven, zo goed was u voor hen. Dat was een mooi land, en het was groot genoeg. Ze kregen ook een eigen koning. Maar ze weigerden om u te dienen. Ze bleven steeds maar slechte dingen doen.
En nu zijn wij slaven. We zijn in het land dat u aan onze voorouders gegeven hebt. Het land waarin zo veel eten en zo veel rijkdom te vinden is. Maar in dat land zijn we slaven! En we moeten de hele oogst van het land aan de koningen van andere volken geven. U hebt die koningen over ons aangesteld, ze heersen nu over ons en over onze dieren. Ze doen met ons wat ze willen. Het gaat heel slecht met ons.’

---

Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 344.

Een podcast van het NBG.

Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast Artwork

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap