Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 349 - Zacharia 7 tot en met 9 en Psalm 93
Vandaag lezen we Zacharia 7 tot en met 9 en Psalm 93 uit de NBV21
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 349.
Vandaag lezen we Zacharia 7 tot en met 9 en Psalm 93.
--
In het vierde jaar dat Darius koning was, sprak de Heer opnieuw tegen mij. Dat gebeurde op de vierde dag van de negende maand.
Er was een groep mannen uit Betel naar Jeruzalem gekomen, onder leiding van Sareser en Regem-Melech. Ze gingen naar de tempel om de machtige Heer te eren. Daar stelden ze een vraag aan de priesters en de profeten: ‘Wij rouwen en vasten elk jaar in de vijfde maand. Dat doen we al heel lang. Moeten we daarmee door blijven gaan?’
Toen gaf de machtige Heer mij een boodschap voor het volk en de priesters. Ik moest het volgende tegen hen zeggen: ‘Al zeventig jaar rouwen en vasten jullie in de vijfde en de zevende maand. Doen jullie dat echt voor de Heer, of alleen voor jezelf? Als jullie eten en drinken, dan doen jullie dat toch ook voor jezelf?’
Ik moest ook zeggen: ‘De Heer heeft al eerder profeten naar jullie toe gestuurd. Toen woonden er veel mensen in Jeruzalem, en het was er rustig en veilig. Zo was het ook in de steden eromheen, en in het zuiden en westen van het land.
En nu stuurt de machtige Heer mij! Dit is zijn boodschap: Spreek eerlijk recht, wees goed voor elkaar en zorg voor elkaar. Onderdruk geen weduwen en geen kinderen zonder vader, geen vreemdelingen en geen arme mensen. Maak geen plannen om elkaar kwaad te doen.
Jullie voorouders hebben niet naar de profeten geluisterd. Ze stopten hun oren dicht, zodat ze niets konden horen. Ze weigerden om te luisteren naar de wetten en regels die de machtige Heer hun gaf. Ze hoorden niet wat de profeten namens hem zeiden.
Toen is de machtige Heer woedend geworden. Hij zei: ‘Als zij niet naar mij luisteren, dan zal ik ook niet naar hen luisteren! Ik zal hen wegjagen naar landen die ze niet kennen. En hun eigen land blijft leeg achter. Er komt niemand meer.’
Zo is dat mooie land een verschrikkelijke plek geworden.’
---
Maar nu zegt de machtige Heer: ‘Ik houd veel van Jeruzalem, heel veel! Daarom straf ik de vijanden van mijn volk. Ik kom terug naar de berg Sion, en ik ga weer in Jeruzalem wonen. Jeruzalem krijgt een nieuwe naam: Stad van Trouw. En de Sion, de berg van de machtige Heer, heet nu Heilige Berg.
Op de pleinen van Jeruzalem zullen weer oude mensen zitten, mannen en vrouwen. Ze zijn zo oud dat ze een stok nodig hebben om te lopen. De pleinen zullen vol zijn met kinderen, met spelende jongens en meisjes.
Jullie zijn nog maar met weinig mensen. Daarom denken jullie nu dat zo’n wonder niet mogelijk is. Maar ik ben de machtige Heer, voor mij is alles mogelijk!
Ik zal mijn volk bevrijden. Ik haal de Israëlieten terug uit de hele wereld en ik laat hen weer in Jeruzalem wonen. Zij zullen mijn volk zijn, en ik zal hun God zijn. Ik zal trouw en goed voor hen zijn.’
Dit zegt de machtige Heer: ‘De profeten hebben gesproken toen het werk aan mijn tempel begon. Nu horen jullie opnieuw wat zij toen gezegd hebben. En daarom moeten jullie het werk volhouden!
Eerst werkte iedereen zonder dat het iets opleverde. Het was nergens veilig, want ik zorgde ervoor dat de mensen vijanden van elkaar waren.
Maar nu zal ik zorgen dat jullie het beter krijgen. Wie zaait, krijgt een goede oogst. Er zullen druiven groeien in de wijngaard, er zal koren groeien op het land. En er zal regen vallen als het nodig is. Daar zal ik voor zorgen. Want jullie zijn mijn volk.
Jullie werden door de andere volken ongelukkig genoemd. Jullie, het volk van Juda en van Israël! Maar nu zal ik jullie helpen. Ik zal zorgen dat die andere volken jullie gelukkig gaan noemen! Verlies de moed niet, houd vol.’
Dit zegt de machtige Heer: ‘Jullie voorouders maakten mij boos. Daarom besloot ik om ze kwaad te doen, en dat heb ik gedaan. Maar nu is het anders. Nu heb ik besloten om te zorgen dat het goed gaat met Jeruzalem en Juda. Jullie moeten dus niet de moed verliezen.
Dit is hoe jullie moeten leven: Wees eerlijk tegen elkaar en spreek eerlijk recht, zodat er vrede tussen jullie is. Maak geen plannen om een ander kwaad te doen. En lieg niet als je voor de rechter staat. Want dat vind ik vreselijk.’ Dat zegt de machtige Heer.
De machtige Heer sprak opnieuw tegen mij. Dit was zijn boodschap: ‘De mensen in Juda vasten op sommige dagen in de vierde, de vijfde, de zevende en de tiende maand. Vanaf nu zullen dat feestdagen worden, dagen waarop iedereen vrolijk en blij is. Maar de mensen moeten wel eerlijk tegen elkaar zijn en in vrede met elkaar leven.’
De machtige Heer sprak opnieuw tegen mij. Dit was zijn boodschap: ‘Er zullen weer mensen uit andere steden en landen naar Jeruzalem komen. Onderweg zullen ze tegen iedereen zeggen: ‘Kom met ons mee! Wij zijn op weg om de Heer te eren, we willen bidden tot de machtige Heer!’
Grote, machtige volken zullen naar Jeruzalem komen om daar te bidden en mij te eren.
In die tijd zal het gebeuren dat er tien vreemdelingen naar een Joodse man toe komen. Ze spreken verschillende talen, maar ze zullen allemaal zeggen: ‘Wij hebben gehoord dat God bij uw volk is. Daarom willen we met u meegaan.’’
---
Hier volgt een boodschap over de toekomst.
De woorden van de Heer klinken overal! Hij spreekt in het land Chadrach, en ook in de stad Damascus. Hij spreekt in Hamat, het land naast Chadrach, en hij spreekt ook in de steden Tyrus en Sidon. Alle mensen zullen hem vereren, samen met het volk van Israël.
De mensen in Tyrus zijn slim en rijk. Ze hebben sterke muren om hun stad gebouwd, en ze hebben heel veel goud en zilver. Maar de Heer zal Tyrus arm maken. Al het goud en zilver verdwijnt in zee, en de stad zelf zal afbranden.
De Filistijnen zullen schrikken als ze dat horen. De mensen in de stad Askelon worden bang. De mensen in Gaza beven van angst, en de inwoners van Ekron hebben geen hoop meer. De koning van Gaza verdwijnt uit de stad. Uit Askelon vlucht iedereen weg. En in Asdod wonen alleen nog maar vreemdelingen.
De Heer zal de trotse Filistijnen straffen. Hij zal ervoor zorgen dat ze geen vlees meer kunnen eten waar nog bloed in zit. En ook geen vlees dat geofferd is aan hun goden. Want dat voedsel is onrein.
De Filistijnen die in leven blijven, zullen de God van Israël gaan dienen. Ze zullen bij zijn volk horen, en samen met hen in Juda wonen. Ook de mensen uit Ekron zullen bij Israël horen, net als vroeger de Jebusieten.
De Heer zal zelf zijn volk beschermen. Er komen geen vreemde legers meer in het land, en het volk wordt niet meer onderdrukt. De Heer zal daar zelf voor zorgen.
Dit zegt de Heer: ‘Op de berg Sion moet iedereen juichen! In Jeruzalem moet iedereen vrolijk zijn! Want jullie koning komt eraan. Hij is rechtvaardig, en hij overwint zijn vijanden. Hij is vriendelijk. En hij rijdt op een ezel, op een jonge ezel.
Dan komt er een einde aan alle oorlog. Alle wapens worden vernietigd. En er zullen geen strijdwagens en geen paarden meer zijn in Israël en Jeruzalem.
Jullie koning zal zorgen dat er vrede komt tussen de volken. Hij zal heersen over de hele aarde: van het oosten tot het westen, van het noorden tot het zuiden.’
Dit zegt de Heer tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Jullie zijn mijn volk, en ik ben jullie God. Ik haal alle mensen terug die nog gevangen zitten in Babylonië. Ze krijgen waar ze naar verlangen: ze mogen terugkeren naar Jeruzalem. Daar zullen ze veilig zijn. Ze hebben het heel moeilijk gehad, maar nu zal ik zorgen dat ze weer gelukkig worden.
Ik zal jullie gebruiken als wapens in het gevecht. De mensen uit Juda en Israël zijn mijn pijl en boog, de mensen uit Jeruzalem zijn mijn zwaard. Met jullie zal ik de Grieken verslaan.’
God, de Heer, zal boven zijn volk verschijnen in de lucht. Hij zal de vijand aanvallen. Dan flitst de bliksem, dan klinkt de donder, en dan waait er een storm uit het zuiden. Zo zal de machtige Heer zijn volk beschermen.
De Israëlieten zullen de wapens van hun vijanden vernietigen. Ze zullen niets van hun vijanden overlaten. Ze zullen hun bloed drinken tot ze er dronken van zijn. Ze zullen drinken tot ze niet meer kunnen, tot het bloed over hen heen stroomt.
De Heer, hun God, zal hen redden, zoals een herder zijn schapen redt. Het land zal schitterend zijn als zij er weer wonen. Alles is er prachtig, alles is er mooi. Er zal genoeg graan en wijn zijn. Dat maakt de jonge mensen weer sterk.
---
Heer, u bent koning,
een koning met macht,
een koning met kracht!
De aarde staat vast,
altijd blijft ze staan.
U was altijd al koning, Heer.
U was er vanaf het eerste begin.
Ik hoor de diepe zeeën,
ik hoor de hoge golven,
de hoge golven van de zee!
Maar machtiger dan de hoge golven,
machtiger dan de diepe zeeën
bent u, Heer in de hemel.
Heer, uw wetten blijven altijd gelden.
Uw tempel is heilig,
voor altijd.
---
Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 349.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.