Bijbel in een jaar

Dag 360 - Openbaring 8 tot en met 9 en Psalm 108

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 8:48

Vandaag lezen we Openbaring 8 tot en met 9 en Psalm 108 uit de NBV21

🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap 

Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.

Dit is dag 360.

Vandaag lezen we Openbaring 8 tot en met 9 en Psalm 108.   

---

Toen het lam het zevende zegel van het boek van God verbrak, werd het stil in de hemel. Die stilte duurde ongeveer een half uur.
Toen zag ik de zeven engelen die dicht bij God zijn. Ze kregen alle zeven een trompet.
Daarna kwam er nog een engel, die met een gouden schaal bij het altaar ging staan. In die schaal kreeg hij veel wierook. Die moest hij offeren op het gouden altaar voor de troon, samen met de gebeden van alle gelovigen. De wierook en de gebeden stegen op naar God.
Toen nam de engel de gouden schaal, en hij vulde die met vuur van het altaar. Dat vuur gooide hij op de aarde. Toen kwam er bliksem en donder, en de aarde beefde.
De zeven engelen maakten zich klaar om op hun trompet te blazen.
De eerste engel blies op zijn trompet. Toen werd er hagel en vuur, vermengd met bloed, op de aarde gegooid. Daardoor verbrandde een derde deel van de aarde, een derde deel van de bomen, en al het groene gras.
Toen blies de tweede engel op zijn trompet. Ik zag iets dat leek op een grote berg waar vlammen uit kwamen. Die berg werd in zee gegooid. Daardoor veranderde een derde deel van de zee in bloed, een derde deel van alle zeedieren ging dood, en een derde deel van alle schepen zonk.
De derde engel blies op zijn trompet. Er viel een grote ster brandend uit de hemel. De ster had een naam, hij heette Bitter. Hij viel op een derde deel van de rivieren en waterbronnen, en maakte het water daarvan bitter. Door dat bittere water stierven veel mensen.
Toen blies de vierde engel op zijn trompet. Een derde deel van de zon, een derde deel van de maan en een derde deel van de sterren werd donker. Daardoor was er een derde deel van de dag geen licht. En ook een derde deel van de nacht was het helemaal donker.
Toen zag ik hoog in de lucht een adelaar vliegen. Hij riep heel hard: ‘Dit is een grote ramp! Want er zullen nog drie engelen op hun trompet blazen. Dat zal een ramp zijn voor de bewoners van de aarde! Een grote ramp!’

---

De vijfde engel blies op zijn trompet. Ik zag een ster die uit de hemel op de aarde gevallen was. Die ster kreeg de sleutel van de put die in de hel uitkomt. De ster opende die put en meteen kwam er veel rook naar boven. Het leek alsof die rook uit een heel grote oven kwam. De rook maakte de zon en de hemel donker.
Uit de rook kwamen sprinkhanen tevoorschijn, die de aarde bedekten. Die sprinkhanen konden steken, net als schorpioenen.
De sprinkhanen mochten geen schade toebrengen aan planten, struiken en bomen. Ook moesten ze alle mensen met rust laten die het teken van God op hun voorhoofd hadden. Maar verder moesten ze iedereen vijf maanden lang pijn doen. Die pijn was net zo erg als de pijn van de steek van een schorpioen.
In de tijd dat al die dingen gebeuren, zullen de mensen willen sterven. Maar dat zal hun niet lukken. Ze zullen naar de dood verlangen, maar die zal niet komen.
De sprinkhanen zagen eruit als paarden die klaarstaan voor de oorlog. Op hun hoofd droegen ze iets dat leek op een gouden kroon. Ze hadden lange haren, en een gezicht dat leek op het gezicht van een mens. Hun tanden leken op de tanden van een leeuw, en hun borst leek op een ijzeren harnas. Het geluid van hun vleugels klonk als het lawaai van honderden paarden en wagens die de oorlog in gaan.
De sprinkhanen hadden net zulke staarten als schorpioenen. Daarmee konden ze mensen steken en pijn doen, vijf maanden lang. De koning van de sprinkhanen heette in het Hebreeuws Abaddon, en in het Grieks Apollyon. Hij was de engel van de hel.
Als dat gebeurd is, is de eerste ramp voorbij, maar er zullen er nog twee komen!
De zesde engel blies op zijn trompet. Ik hoorde een stem klinken uit de vier hoeken van het gouden altaar dat voor de troon van God staat. De stem zei tegen de engel met de trompet: ‘Maak de vier engelen los die vastgebonden zijn bij de grote rivier de Eufraat.’
De vier engelen werden losgemaakt. God had bepaald dat ze precies op dat moment een derde deel van alle mensen moesten doden.
Toen hoorde ik hoe groot het leger van de vier engelen was: tweehonderd miljoen paarden en ruiters.
In mijn droom zag ik hoe ze eruitzagen. De ruiters droegen rode, blauwe en gele harnassen. De hoofden van de paarden leken op de koppen van leeuwen, en uit hun mond kwamen vuur, rook en giftig gas. Door het vuur, de rook en het gas werd een derde deel van alle mensen gedood. Het waren drie straffen van God.
De paarden gebruikten ook hun staart om mensen kwaad te doen. Want hun staarten leken op slangen met koppen, en daarmee beten ze mensen.
Veel mensen stierven door die straffen van God. Maar de mensen die in leven bleven, veranderden hun gedrag niet. Ze gingen door met moorden en stelen, met toverkunsten en verboden seks. Ze bleven knielen voor de beelden van goud, zilver, brons, steen en hout die ze zelf gemaakt hadden. En ze bleven afgoden vereren die niet konden bewegen, en die niet konden zien of horen.
---

Een lied van David.
U geeft mij moed, God!
Ik wil muziek maken en zingen,
met heel mijn hart.
Ik wil mijn harp laten klinken,
ik wil de zon wakker maken met mijn lied.

Heer, ik wil u danken,
overal op aarde wil ik voor u zingen.
Heer, uw liefde is groter dan de wereld,
uw trouw is zo hoog als de hemel.

God, laat zien hoe machtig u bent,
in de hemel en op aarde!
Red de mensen van wie u houdt,
hoor mijn gebed en help hen.
God heeft in zijn tempel gesproken:
‘Ik zal je vijanden verslaan,
ik zal juichen om de overwinning.
Ik verover de stad Sichem,
ik neem het dal bij Sukkot weer in bezit.
Het gebied Gilead zal weer van mij zijn,
en heel het gebied van de stam Manasse.
Ik zal heersen in Efraïm en Juda,
in heel Israël, van noord tot zuid.
Ik zal ook Moab en Edom veroveren,
en juichend zal ik de Filistijnen overwinnen.’
God, u wilde ons niet meer zien,
maar help ons nu!
Ga met onze legers mee,
ga voor onze soldaten uit.
Breng ons naar het land Edom,
breng ons in de steden van de vijand!

Bescherm ons tegen onze vijanden.
Mensen kunnen ons niet helpen,
maar samen met u zijn we sterk.
U zult onze vijanden verslaan.

---

Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 360.

Een podcast van het NBG.

Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.


Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast Artwork

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap